Eiland De Woude

 

Home
Omhoog

Het is een dorp waar bijna niemand ooit van heeft gehoord.

Het is een klein dorp.

Er wonen niet veel mensen. Er wonen zo weinig mensen dat ze allemaal tegelijk in het cafe kunnen.

En dan is het nog niet vol.

Alle andere mensen in het land wonen aan de andere kant.

Aan de overkant van het water.

Aan de overkant van het water is de grote stad.

Daar wordt je fiets gejat.

Maar in het dorp, aan deze kant, weten ze niet eens wat jatten is en iedereen is dik tevreden.

Er is nog nooit politie in het dorp geweest.

Er zijn geen winkels, maar er is ook geen gevangenis.

Want iedereen is gelukkig. Dan heb je dat niet nodig.

Is iedereen gelukkig?

Nee.

Niet Anna van Piet.

Die weet niet zeker of ze gelukkig is. Dat komt door een jongen.

Een jongen aan de overkant van het water.

Anna van Piet is de dochter van de visser die in het dorp woont.

Dit is het verhaal van Anna en het is een verhaal van honderd jaar oud.

Anna Visser staat op de dijk.

Ze kijkt over het water. Ze zoekt met haar ogen naar de boot van haar vader.

Daar ligt hij. Een zwarte boot. Haar vader staat rechtop en haalt de fuiken leeg. Hij vis op paling.

De mensen in het dorp zijn dol op de paling van de vader van Anna. De gerookte paling is beroemd in het hele dorp. 

Anna Visser staat op de dijk.

Haar ogen zoeken de overkant van het water. Elke middag staat ze hier.

Te turen.

En aan de overkant...

Aan de overkant, niet alle dagen, maar er zijn dagen dat hij komt. Aan de overkant van het water staat soms een jongen op de dijk.

Een jongen met een grote pet op, een korte zwarte jas aan en een blauwe broek.

Anna heeft hem voor het eerst gezien toen het voorjaar was.

Toen de zon scheen. Ze was naar het vissen wezen kijken, naar haar vader.

Ze keek naar de overkant van het water en daar stond hij. Met zijn handen op z'n rug. Ze had hem nooit eerder gezien.

Anna had een rooie kop gekregen.

Ze wist niet hoe dat kwam.

De jongen stak z'n hand op.

Anna had zich omgedraaid en was het dorp in gelopen. Naar huis.

Er woont iemand aan de overkant van het water, had ze tegen haar moeder gezegd.

Dat zal best, zei haar moeder.

Ze lag die avond in de bedstee.

Ze wou aan andere dingen denken maar dat ging niet. Ze dacht aan de jongen. Dattie zijn hand had opgestoken en dat ze weggelopen was.

Ze was de volgende dag eerder op de dijk dan andere dagen. Ze zag de boot van haar vader.

Maar Anna had niet lang naar de boot gekeken. Ze zocht met haar ogen de dijk af, de overkant van het water. Ze bleef maar kijken. De hele middag. Ze moest eigenlijk alweer naar huis.

Toen kwam hij. Eerst zijn grote pet. Toen zijn kop, toen zijn zwarte jas.

Opeens zag hij Anna staan.

Hij stak zijn hand weer op.

Weer kreeg Anna een rooie kop. Ze stak haar hand op en rende de dijk af. Naar huis.

En nu is het  zomer.

Het is de langste dag van het jaar. Het blijft heel lang licht buiten.

Anna heeft een jurk aan en blote benen. Ze is op de dijk en ze kijkt.

Aan de overkant ziet ze de jongen.

Wat doet hij nou?

Hij trekt zijn kleren uit.

In zijn witte onderbroek springt hij te water.

Hij spartelt. Dan klimt hij weer op de kant.

Hij lacht. Hij roept iets. Anna kan het niet verstaan.

Hij wenkt.

Hij wil dat Anna naar de overkant komt.

Maar dat kan niet.

Dat mag niet.

Bovendien komen er donkere wolken. Ze zwaait naar de jongen en draait zich om.

Ze slentert het dorp in, ze merkt niet dat het hard is gaan

waaien. Ze houdt van de jongen aan de overkant.

Ze denkt, hij is mijn vriend.

Maar ja, hoe weet hij nou dat hij mijn vriend is.

Het gaan waaien en hard gaan regenen. Anna's vader zit aan tafel.

Dat noemen ze zomer, zegt hij, het lijkt wel herfst.

Anna zegt niks. Ze denkt aan de jongen die te water gesprongen was. Misschien had hij wel naar haar toe willen zwemmen.

Misschien had hij dat toch niet gedurfd.

Opeens wordt op de deur gebonkt. Anna's vader springt op en doet de deur open, de regen waait naar binnen.

Twee mannen staan voor de deur.

Het zijn Cor Klapschaats en Henk Grote Motorfiets.

De mannen in het dorp hebben de gekste namen.

De twee mannen zeggen iets. Anna kan het niet verstaan.

Haar vader komt binnen en trekt zijn oliejas aan.

'Der zijn der op het water met moeilijkheden, het stormt, ik ga ze helpen', zegt hij.

 'Kijk je wel effe uit?', zegt Anna's moeder.

'Ze zijn in nood', zegt haar vader. Dan is hij weg.

 Ik ben er niks gerust op, zegt Anna's moeder. Ga jij maar naar bed.

Nee ik ga niet, het is vandaag de langste dag en ik wacht tot vader thuiskomt, zegt Anna.

'Ach ja, je hebt gelijk', zegt haar moeder, zo kan je toch niet slapen.

 Ze zitten aan tafel en wachten. De moeder wrijft in haar handen. Ze is bang. Anna weet van geen angst en ze denkt aan de jongen, de jongen aan de overkant, hoe zou hij heten?

Dan klinkt gestommel.

De deur zwaait open, de regen zwiept naar binnen.

Daar is Anna's vader en achter hem...

Anna springt op.

DE JONGEN

Daar staat de jongen in de deur.

Zeiknat.

Pet op, zwarte jas aan, hij druipt.

En hij lacht.

Hij wou naar deze kant komen, zegt Anna's vader, ik weet ook niet waarom. Hij was op een boomstam gaan zitten en wou hierheen peddelen, toen sloeg hij om en de storm sleurde hem mee. Ik heb hem bij me in de boot getrokken.

Anna zegt niks en kijkt naar de jongen.

Wat is hij mooi.

Zeiknat is hij ook mooi.

En hij is veel groter dan aan de overkant.

Anna's moeder maakt warme melk. Anna's vader geeft de jongen een warme gerookte paling.

Hij zit aan tafel en kijkt naar zijn handen.Tegenover hem zit Anna, en ze kijkt naar hem.

Mijn vriend, denkt ze, maar hij weet niet dat hij mijn vriend is.

'Ik zet je niet over vanavond', zegt de vader tegen de jongen, 'het is te gevaarlijk, het stormt, je moet hier maar slapen.'

De jongen knikt.

Het huis van de palingvisser is klein.  Er is voor niet veel mensen plek. Er is voor de jongen geen bed.

Anna moeder kijkt naar de jongen.

Ga eens staan.

De jongen gaat staan.

Dat zal nog wel passen, zegt ze. Jij kan in de bedstee.

Anna gaat gloeien. Wat zegt moeder nou, ze zegt dat de jongen bij haar in bed moet.

Ze springt op.

Kom, zegt ze, ik wijs het.

En poten thuis, zegt de vader van Anna.

Anna kruip in bed en de jongen die zijn natte kleren uitdoet gaat naast haar liggen.

Hoe heet je, vraagt Anna.

Evertjan, zegt de jongen.

Jij bent mijn vriend, wist je dat, zegt Anna.

Nee, zegt de jongen.

En weet jij wat dat is, poten thuis?, vraagt Anna.

Weet ik niet, zegt de jongen en dan valt hij in slaap.

Anna probeert in het donker nog iets van zijn gezicht te zien.

Zijn adem kriebelt door haar haar.

Ze blijft lang wakker.

Wat zou dat zijn, poten thuis?

Dan valt ze eindelijk in slaap.

 Als ze wakker wordt schijnt de zon in haar gezicht.

Wat was er ook weer?

o ja, de jongen!

Ze kijkt opzij.

Weg is de jongen.

Anna spring uit bed. Mamma, roept ze, waar is de jongen?

Je vader heeft hem terug naar de overkant gebracht, zegt Anna's moeder. Hij moest de boer daarginds helpen te melken.

Anna laat haar hoofd zakken.

Weg is de jongen, weg is haar vriend.

 Maar nog diezelfde avond wordt opnieuw op de deur gebonkt. Nu

zijn het niet de mannen van het dorp. Het is de jongen weer.

Anna doet open.

En voor ze iets kan zeggen zegt de jongen het.

Of je met me trouwen wil.

O, even vragen, zegt Anna. Ze loopt naar binnen en roep Mamma

de jongen wil met me trouwen, is dat goed? Anna's moeder lacht.

 Mij best, zegt ze, over zeven jaar, als hij zo lang wachten kan.

 En zo lang heeft de jongen gewacht. Voor de deur van het huis

van de palingvisser.

Toen was er een bruiloft in het cafe en kregen twee gelukkige

mensen de volgende dag drie kinderen. Het is honderd jaar geleden gebeurd. Maar het zou vandaag zo weer kunnen gebeuren.

 Wouter Klootwijk