|
De PontHet
is een dorp waar bijna niemand ooit van heeft gehoord. Het is een klein dorp. Er
wonen niet veel mensen. Als alle mensen van het dorp tegelijk op reis gaan
zijn het twee autobussen vol. Meer mensen wonen er niet. Alle
andere mensen in het land wonen aan de andere kant. Aan
de overkant van het water. Als
de mensen uit het dorp naar de stad gaan, nemen ze de pont. Ze moeten wel,
want in het dorp is geen bakker, geen groenteboer en geen slager. Alle winkels
zijn aan de overkant en alleen met de pont kan je daar komen. De
pont is belangrijk voor de mensen van het dorp. De
pontbaas is een vrouw. Ze
heet Sylvia. Elke
ochtend staat ze heel vroeg op, ze is de eerste in het dorp die opstaat. Ze
gaat naar de pont als het nog donker is. Dan
komen de mensen die naar de overkant moeten. Mannen en vrouwen die aan de
overkant werken. Boeren die melk naar de overkant brengen. De kinderen. In
het dorp is geen school. De
kinderen van het dorp gaan aan de overkant op school. Moeders gaan naar de
markt, naar de overkant, lapjes stof kopen. Boer
Dik heeft een vracht hooi verkocht, het moet naar de overkant. De wagen vol
hooi moet op de pont. Een koe moet naar de slager. Met de pont naar de overkant. Zo gaat het in het dorp waar niet veel mensen van hebben gehoord - Het
is er rustig. Er
is nog nooit een verkeersongeluk gebeurd. Er
is nog nooit politie geweest. En
er is geen burgemeester. De mensen in het dorp vinden dat ook niet nodig. Een
pontbaas is genoeg. Een
pontbaas die Sylvia heet. Maar
wat is er vorige week gebeurd? Sylvia
de pontbaas was vroeg opgestaan. Ze had warme kleren aan want 's ochtends
vroeg is het heel koud. Ze had hooi aan haar paard gegeven, ze had koffie
gedronken, toen was ze op haar fiets gesprongen en reed ze naar de pont. Ze
zette haar fiets tegen een boom, liep naar de waterkant en wilde op de pont
stappen. Ze
gaf een gil. De
pont was weg. De punt lag er niet meer. ‘Ze hebben de pont gestolen’, riep
Sylvia. Ze keek om zich heen. Niemand
hoorde haar, nog niemand wilde over. ‘Wat moet ik nou doen?’ Daar kwam de eerste man die naar de overkant wou. Hij had een pak boterhammen onder zijn arm, hij ging naar zijn werk. Hij
zag Sylvia. ‘Goedemorgen Syl’. Sylvia
zei niks, ze wees naar de waterkant. ‘Verrek’, zei de man. ‘De
pont is weg, de pont is gestolen.’, zei Sylvia. ‘Hoe
moet ik nou naar mijn werk?’, zei de man. ‘Niet kwaad op mij worden’,
zei Sylvia. ‘Jij kan er niks aan doen meid, maar het is me wat moois.’
Daar kwam een vrouw aanlopen. ‘Ik
ga vandaag lekker vroeg naar de markt, dan is het nog niet zo dringen’, zei
de vrouw. Sylvia
en de man zeiden niks. Ze wezen allebei naar de waterkant. ‘Krijg nou
wat’, zei de vrouw. ‘De
pont is gestolen!’, zeiden Sylvia en de man tegelijk. Toen
kwamen de boeren met melk voor de melkfabriek en de moeders met kinderen die
naar school moesten. Bijna
alle mensen uit het dorp stonden aan de waterkant. Bij de pont. De
een zei godver, de ander zei verdikkie, een kind riep shit, en de vrouw die
altijd een lied zingt zei, ik zal een lied zingen. Doe
dat nou maar niet want dan kan ik niet nadenken zei boer Dik die een kar hooi
naar de overkant wilde brengen, we moeten bedenken wat me moeten doen. Hulp
halen, zei het meisje dat de kranten rondbrengt. We halen hulp. Waar
haal je hulp?, zei haar vader die ook naar de overkant wou om een vracht zand
op te halen. Aan
de overkant halen we hulp, zei de man met het pak brood onder zijn arm. En hoe dacht je dat te doen, zei boer Dik, met de pont zeker? De mensen moesten allemaal hard lachen. ‘Wat
is dit klote’ zei de lange jongen met blonde haren. Ik wil naar de overkant,
ik moet te kermis. ‘Moet
je te kermis jongen?’ ‘Ja
ik moet vandaag te kermis aan de overkant, ik ga een meisje kiezen om mee te
trouwen. ‘Dat
kan niet jongen, de pont is weg, dan kies je maar een meisje uit het dorp om
mee te trouwen. De
lange jongen keek om zich heen. Hij zag geen meisje om mee te trouwen. Hij
keek niet goed. Als
we niet naar de overkant kunnen hebben we straks geen eten meer, zei een
vrouw. Ik
heb nog voor drie dagen brood in huis, zei een ander. We
zullen honger krijgen. We
slachten een koe, zie Boer Dik. Dan eten we biefstuk. Tot
het op is, zeiden de vrouwen, en wat moeten we dan? Een
paard. Dan eten we het paard van Sylvia de Pontbaas. Daar komt niks van in, zei Sylvia, dan eet je mij maar op. ‘Nee
wacht even’, zei het meisje dat de kranten rondbrengt, we halen hulp’. Weer
gingen de mensen hard lachen. Het
meisje werd boos. ‘Een
paard kan zwemmen’, riep ze. Sylvia
heeft een paard, ze gaat er op zitten, ze springt met het paard te water, het
paard zwemt naar de overkant en Sylvia kan hulp gaan halen. ‘Dat
is helemaal zo’n gek idee niet’, zei de vader van het meisje dat de
kranten rondbrengt. Iedereen
keek naar Sylvia. ‘Daar
komt niks van in’, zei Sylvia. Ik ben pontbaas, ik werk niet in het circus,
bedenk maar iets anders, ik ga daar een beetje met mijn paard naar de overkant
zwemmen zeg. ‘Toch
is het een goed idee’, zei de man die een vracht zand aan de overkant wou
halen. Maar ik word nat, zei Sylvia. De
mensen keken naar Sylvia. Toen
zei Boer Dik: goed, dan eten we eerst het brood op, dan de koeien en dan
Sylvia en dan is alles op en dan gaan we dood. Zal
ik dan nu meer een lied zingen, zei de vrouw die altijd zingt - Nee
doe maar niet, ik ga wel, zei Sylvia. Ze
liep naar haar huis, haalde het paard uit de stal, deed hem een zadel op en
reed er mee naar de waterkant. De
mensen klapten in hun handen. Ze doet het, ze durft. Het
paard bleef staan bij het water. De mensen hielden hun mond. Sylvia zei lieve
woordjes tegen het paard. Toe
maar, ga maar, het water is niet koud. Toen
sprong het paard te water. Sylvia
kon met moeite blijven zitten. Het paard zwom. Sylvia’s
billen werden nat. Maar
ze ging door, naar de overkant. Hulp halen. De
mensen bleven stil kijken, sommige met hun hand voor hun mond. Tot het paard
aan de overkant gekomen was. Hij klom op de kant. Toen
juichten de mensen, Syl is over! Syl gaat hulp halen! Zonder
om te kijken liet Sylvia het paard galopperen, op zoek naar hulp voor de
mensen in het dorp. Het
paard draafde, Sylvia zat stevig in het zadel. Haar billen droogden in de
wind. Toen
dacht ze na. Waar
haal je hulp? Bij
de politie? Bij
de dominee in de kerk? In
de grote stad? Bij
de koningin.? Ze
wist het niet. Toen
plotseling trok ze aan de teugels. Huuu,
zei ze. Het paard stond stil. Sylvia
zag een groot geel ding in het water en langs de vaart Bij
het ding lag een man met een grote jas aan en een hoed op. De
pont riep ze. Mijn pont. Het
grote gele ding was de pont van het dorp. Sylvia
de pontbaas klom van haar paard en liep naar de man. Die
pont is van mij, zei ze tegen de man. Dat
kan ook, zei de man. Hij
lachte. Wat
moet u met mijn pont? Ik
heb hem even meegenomen, zei de man. Bent
u soms een haartje besodemieterd?, zei Sylvia Dat
kan ook, zei de man. en
hij lachte. Zal
ik u anders misschien even helemaal in elkaar slaan, zei Sylvia. Dat
kan ook zei de man, en hij lachte. Maar
vertel me dan eerst even waarom u mijn pont gestolen hebt, zei Sylvia. Omdat
ik veel van ponten hou, zei de man. Ik heb verstand van ponten. Weet u,
mevrouw, een pont wil wel eens wat anders. Altijd heen en weer varen, dat gaat
vervelen. Jullie in het dorp daarginds denken over dat soort dingen niet na.
Ik wel. Een pont moet er af en toe eens uit. Eens
helemaal ergens anders varen, en met storm dwars over het meer, dat wil een
pont in zijn leven, avontuur. De
man lachte. Ik
ben de man die weet hoe je de dingen gelukkig kan maken. Een pont wil wat zien
van de wereld. Weet
u wat u moet doen meneer, zei Sylvia, vlug naar de dokter, die heeft wel een
pilletje voor u tegen de gekte, u bent hartstikke gek. Dat
kan ook, zei de man, en hij lachte. Sylvia
pakte haar paard bij de teugels en trok hem de pont op. De
man zei niks en wilde de touwen losgooien. Ho
wacht even, zei Sylvia, het kost een gulden. Wat
kost een gulden zei de man. Iedereen
die met de pont vaart moet een gulden betalen. Dat
kan ook zei de man en hij gaf een gulden. Sylvia
draaide de pont en voer er mee terug naar het dorp. De mensen stonden niet
meer aan de waterkant, ze waren naar huis gegaan om hun boterhammen te tellen.
Hoeveel dagen eten hadden ze nog? Alleen
het meisje dat de kranten rondbrengt zat op haar hurken in het gras. Ze
zag een groot geel ding aankomen over het water. Ze stond op en keek nog eens
goed. Toen
zag ze het, de pont. Ze
sprong op en rende het dorp in. De
pont komt terug! De pont en het paard! Sylvia heeft de pont gevonden!, riep
ze. Alle mensen kwamen aanrennen en schreeuwden door elkaar. De pont is terug, Sylvia is onze held. En Sylvia glom van trots. Ze liep op het meisje af dat de kranten rondbrengt. En ze zei, goed idee van jou. Ik wist helemaal niet dat een paard kan zwemmen.
Wouter Klootwijk
|
|
|