|

| |
Sneeuw
Het was een klein dorp aan de overkant van de vaart.
Er waren maar weinig mensen die van het dorp hadden gehoord.
Het was er stil en je kon er niks kopen.
Als je in het dorp moest zijn nam je de pont.
Als je uit het dorp weg wilde nam je de pont.
De pont had twee motoren.
Eerst ging de ene motor stuk.
Toen de andere.
De pont deed het niet meer.
Niemand kwam toen meer naar het dorp.
De burgemeester woonde een eind verderop.
Hij kwam niet kijken naar de kapotte pont.
Het dorp werd vergeten.
De mensen in het dorp moesten zelf maar zien.
Er woonden oude mensen en er woonden kinderen.
De kinderen zeiden tegen elkaar.
We moeten beslissingen nemen.
Waarom?
Omdat de burgemeester ons vergeten is.
Meestal neemt de burgemeester beslissingen, maar hij is ons vergeten. Waarover
moeten we dan beslissingen nemen?
Over hoe het moet en over de oude mensen.
Wat is er dan met de oude mensen?
Die moeten rechts houden, want wij moeten er door kunnen met onze fietsjes. De
oude mensen lopen de hele tijd in de weg.
Goed. Laten we een dorpsraad oprichten.
Wat is een dorpsraad?
Dan leg je geld bij elkaar en neem je een beslissing
en dat kunnen we van het geld betalen.
Wat zullen we dan beslissen?
De kinderen zaten bij elkaar in een schuurtje dat ze het kerkje noemden.
Het was de dorpsraad.
Maar ze wisten niet wat ze moesten beslissen.
Tot Rickie opstond en zei: we geven alle oude mensen een blauw karretje.
Waarom?
Een karretje met handremmen, dan vliegen ze niet meer zo vaak uit de bocht.
Dat vonden de kinderen een pracht idee.
Ze bestelden twintig blauwe karretjes met luchtbandjes en handremmen.
Alle oude mensen kregen er een.
En die waren er blij mee want nu vlogen ze niet telkens uit de bocht als ze een
brief
gingen posten.
Iedereen was gelukkig in het dorp.
Het was helemaal niet erg dat de burgemeester nooit meer kwam.
Maar het werd winter.
Het ging sneeuwen.
De weg door het dorp werd wit.
En het werd spekglad.
De dorpsraad moet bijeenkomen, zei Fleur van Evert.
Waarom?
Het is glad op de weg.
Ik ga op m'n bek met m'n fiets, zei Fleur.
Ik ook, zei Debbie.
Dat heet anders, zei Quiten.
Je valt op je smoel, niet op je bek.
Nee zei Max, het is je gezicht en daar val je dan op.
Alleen als je patat gaat eten in het cafe, dan ga je een vette bek halen.
Anders is het gewoon je mond.
Mij best, zei Fleur, maar we moeten vergaderen.
We moeten er iets aan doen.
Zo kwam op de avond voor kerst de dorpsraad bijeen.
Iedereen mocht zeggen wat hij er van dacht.
Het is sneeuw, zei Merel.
En het is glad, zegt Lisa.
En ik val op mijn....
Nee Fleur, op je gezicht.
Ja, ik val op mijn gezicht.
De oude mensen hebben er geen last van, zei Tessa.
Nee, want die hebben handremmen, ze Diane.
Een karretje met luchtbanden, die liggen behoorlijk stevig in de bocht, zei Bas, want
ik woon aan de bocht bij de brievenbus en ik zie ze scheuren, de oude mensen.
Zo ging het nog een tijdje door, maar geen kind in de dorpsraad kon een
beslissing
bedenken.
Je moet eerst een beslissing verzinnen en dan moet je hem nemen.
Maar als je geen beslissing weet kan je ook geen beslissing nemen.
Wat is het lastig, om dorpsraad te zijn, zuchtte Koen.
Marieke had al die tijd uit het raam gekeken. Het was al donker, maar ze zag dat
er nog
steeds sneeuwvlokken vielen.
De deken van sneeuw op de weg werd steeds dikker.
Straks zou geen kind meer op zijn fietsje kunnen.
Dat zou een ramp zijn en dat net met de kerst. Twee kerstdagen zonder je
fietsje.
Marieke ging op haar stoel staan.
Ik weet wat we moeten doen, zei ze.
We halen de oude mensen er bij.
Oude mensen, daar heb je niks aan, riep Julie en meteen had ze een draai om zijn
oren
van haar broer.
Zulke dingen zeg je niet als hij bijna kerstmis is.
Dat zeg je pas in januari weer.
We hebben er juist veel aan, zei Marieke.
Wie heeft thuis planken liggen?
Ik heb planken zat, zei de zoon van de aannemer.
Ga ze maar halen.
En wie heeft een boormachine en schroeven?
O die leent mijn vader altijd wel ergens, en ik weet waar, zei Sterre.
Ga halen, zei Marieke.
En wacht tot ik terug ben.
Sanne verdween in het donker.
Drie uur later was ze terug.
Voor de schuur die ze het kerkje noemde stonden twintig oude mensen, allemaal
met een blauw karretje met handremmen.
De oude mensen waren blij dat ze ergens goed voor waren, al wisten ze nog niet
voor wat.
Zijn de planken er?
Ja de planken liggen klaar.
Is de boormachine er?
Er lagen zeven boormachines klaar en bakken vol schroeven.
Nu legde Marieke uit wat er moest gebeuren.
Aan de voorkant van ieder blauw karretje werd een plank geschroefd.
Elke plank raakte bijna de weg.
Rijden maar, zei Marieke tegen de oude mensen.
Toen zagen de kinderen wat er gebeurde.
De oude mensen liepen in een rij achter elkaar door het dorp. Ze schoven met de
plank
voor hun karretje de sneeuw opzij.
De kinderen klapten. De oude mensen lachten. Eindelijk hadden ze wat te doen.
Ik hoop dat het nog lang sneeuwt, zeiden ze tegen elkaar, dan hebben ze ons nog
lang nodig.
En zo konden de kinderen in het vergeten dorp met de kerst toch keihard fietsen.
Wouter Klootwijk
|